Uit: E. J. Hobsbawm – De tijd van de revolutie (1789 – 1848)
‘Een van de kwaadaardigste en noodlottigste oorzaken die de Indianen verhinderden de zegeningen van de beschaving te leren kennen’, zo redeneerde de Commissaris voor Indiaanse Aangelegenheden, was dat zij een te grote uitgestrektheid land in gemeenschappelijk bezit hadden en het recht op grote geldelijke annuïteiten; ‘het één gaf hun ruimschoots de gelegenheid toe te geven aan hun neiging tot zwerven en belette hen kennis te maken met de individualiteit in de eigendom en het voordeel van vaste woonplaatsen; het ander werkte luiheid en verkwisting in de hand en gaf hun de middelen om te voldoen aan hun verdorven neigingen en smaken.’ De schrijver besluit: ‘Hen te beroven van hun land door bedrog, roof en elke andere bruikbare soort pressie, was daarom verantwoord.’